Terminologie

Glaswerk

  • Gehard: een glas dat gehard is, heeft een bepaalde behandeling ondergaan, waardoor het extra stevig is. Als dit glas valt, valt het in duizenden kleine, niet scherpe stukjes uiteen, net als een autoruit. Om een glas te harden, wordt het glas na productie heel snel afgekoeld, daarna langzaam opgewarmd en dan opnieuw langzaam afgekoeld.
  • Kwarx: dit is een soort glas dat 2 000 keer in de vaatwasser kan zonder dat er een kras of doffe plek op komt. Dit materiaal is bijna 100% helder, net als een autoruit, waardoor de kleur van de drank in het glas hetzelfde is als erbuiten. Geen enkele concurrent in dit domein maakt haar glas even helder als Arc doet. Het materiaal is extra stevig, waardoor het tegen een stootje kan. Het heeft dezelfde glans als kristal. Glazen in Kwarx worden gemaakt met een extra dunne drinkrand, waardoor het prettiger drinkt.
  • In de massa gekleurd: de kleur zit in het product en kan er dus nooit vanaf gaan. Dit is 100% vaatwasmachinebestendig.
  • Kristal-sonoorglas-cristallin: kristal mag pas kristal heten als het minimaal 24% lood bevat. Dit lood zorgt voor de klank waar kristal om bekend staat. Als er minder dan 24% lood in een glas zit of helemaal geen lood omdat het vervangen is door een ander materiaal dat een bepaalde klank aan het glas geeft, dan wordt er wel gesproken van sonoorglas of cristallin.
  • Getrokken been: dit is een wijnglas waarbij de voet overgaat in de kelk. Het glas is uit 1 stuk geproduceerd.
  • Borosilicaat: dit is een soort glas dat gebruikt wordt om ovenschalen en bepaalde theebekers mee te produceren. Het borosilicaat zorgt ervoor dat de ovenschalen ovenbestendig zijn. Bij de theebekers wordt van dit materiaal een heel dunne kwaliteit gemaakt, die rank oogt, maar sterk is.

Keramische producten

Keramiek, de techniek en de kunst van de vervaardiging van aardewerk, porselein, enz. Dus met andere woorden: zowel porselein, aardewerk, gleiswerk of faïence zijn allemaal keramische producten. Ze behoren allemaal tot dezelfde familie. Hun samenstelling, densiteit, glazuur en baktemperatuur bepalen het verschil in prijs en kwaliteit.

De basisingrediënten

De drie belangrijke basisingrediënten voor het maken van keramische producten zijn kaolien, kwarts en veldspaat. Porselein, aardewerk en gleiswerk of faience komen allemaal op een gelijkaardige manier tot stand, zij het in een andere verhouding van samenstelling, met een verschillende densiteit of porositeit en vooral op andere baktemperaturen.

  • Kaolien, soms ook porseleinaarde genoemd, is een vette, witte kleisoort die in feite een verweringsproduct is van graniet. De klei is niet alleen helder wit, maar verdraagt ook hoge temperaturen, die nodig zijn om de dichte vaste structuur te bereiken.

    Logisch dat de porseleinfabricage uit China stamt, want kaolien is er in overvloed aanwezig. Eeuwenlang wisten de Chinezen deze basisgrondstof, kaolien, geheim te houden. Marco Polo bracht in de 13de–14de eeuw voor het eerst het witte goud naar Europa. Men probeerde het in Venetië tevergeefs na te maken. Vanaf het ogenblik dat de Europese grootmachten de wereldzeeën intensief gingen bevaren, werden de Chinese producten in grote hoeveelheden naar Europa gebracht, waar men vruchteloos bleef zoeken naar het geheim van de porseleinfabricage.
    Pas in het begin van de 18de eeuw ontdekte Johann Friedrich Böttger in opdracht van de keurvorst van Saksen het gebruik van kaolien. De eerste porseleinfabriek werd dan ook in 1710 opgericht in Meissen. Later vestigde de Europese keramische industrie zich dan ook vooral in gebieden waar het kaolien als grondstof terug te vinden was. Denken we maar aan Noord-Beieren in Duitsland met zijn talrijke porseleinfabrieken, aan de streek van en rond Limoges in Frankrijk, aan de streken van Berry en de Elzas die toch ook een groot aantal fabrikanten telden. Ook in Groot-Brittannië vinden we in de streek van Stoke-on-Trent een dergelijke grote concentratie aan fabrieken. Uiteraard ontstonden elders in Europa ook talrijke porseleinfabrieken, maar de hier opgenoemde streken herbergen of herbergden toch wel de grootste concentraties!

  • Een tweede hoofdbestanddeel is kwarts. Kwarts of silicium is in feite zand, maar dan wel zuiver zand, ontdaan van alle onzuivere elementen zoals bijvoorbeeld ijzer. Het kwarts dient om de vette klei dunner te maken, om het voorwerp te verglazen en hard te maken. Het kwarts moet de massa ook behoeden tegen krimpen. Het is belangrijk om weten dat de voorwerpen tijdens het bakken of branden ongeveer 15% van hun omvang verliezen!

  • Het derde bestanddeel is veldspaat. Veldspaat is een hard gesteente en vormt als het ware het cement om de kaolien en de kwarts aan elkaar te verbinden.

    Veldspaat en kwarts zijn duurdere grondstoffen dan kaolien. Hoe meer kwarts en veldspaat gebruikt worden, hoe duurder en kwalitatiever het product. In China kost aardewerk meer dan porselein, omdat aardewerk niet bestaat in China en dus geïmporteerd moet worden. In Europa is porselein duurder dan aardewerk.

Het productieproces

 

De grondstoffen worden vermengd. Wanneer dit gebeurd is, kan men de gewenste vormen draaien, persen of gieten. Als de vormen vervolgens voldoende gedroogd zijn, kan het bakken beginnen. Op hoge temperatuur gaat het kaolien verhitten, sinteren zonder daarbij te smelten. De poriën in de klei gaan zich openen en het gesmolten veldspaat vult de poriën. Het weerstandsvermogen van het keramisch product verhoogt naarmate de temperatuur verhoogt en de densiteit hoger wordt doordat de poriën dichtlopen of niet. Hoge densiteit levert een hogere hardheid op. Bij porselein ligt de baktemperatuur een stuk hoger dan bij aardewerk. Bij porselein lopen alle poriën volledig dicht en wordt alles veel harder. Porselein is dus hard, sterk en niet poreus. Precies hierdoor kan porselein ook veel dunner gemaakt worden. Door de hogere temperaturen worden de grondstoffen volledig verglaasd en krijgt men ook transparantie (uiteraard afhankelijk van de dikte van het porselein) die men bij aardewerk niet kan terugvinden. Aardewerk is minder hard, poreuzer en dus ook dikker. Het verschil tussen porselein en aardewerk wordt ook heel duidelijk als men de scherven vergelijkt. Porselein heeft een witte steenachtige volle niet poreuze kern. Aardewerk daarentegen heeft een als het ware korrelige kern, waardoor het eerder kapot gaat. Ook kan men aan de onderrand het verschil zien. Porselein heeft een witte onderrand en aardewerk een meer grijze onderrand. Wat is het verschil tussen aardewerk en gleiswerk? Gleiswerk is fijner dan aardewerk. Gleiswerk wordt meer gebruikt om vanuit te eten en aardewerk wordt meer gebruikt voor in de oven.

 

Door het vele experimenteren met de verhoudingen tussen de drie grondstoffen werden door de fabrikanten in de loop der jaren ook heel wat verschillende ‘soorten’ porselein ontwikkeld. Men heeft het bijvoorbeeld over veldspaatporselein, hotelporselein, gevitrifieerd porselein, Bone China, enz. Als men door onze toonzaal loopt valt het op dat er heel wat soorten zijn. Dit vertaalt zich in de eerste plaats in de kleur van het porselein. Er is wit en er is wit! (Alleen al door de ene witte kleur met de andere witte kleur te vergelijken kunnen bepaalde ingewijden hier zeggen door welke Chinese fabrikant het bord of de schotel in kwestie gemaakt werd.) Er zijn inderdaad heel wat schakeringen terug te vinden, gaande van wit, marmerwit, grijswit, roomwit, enz. Een en ander heeft natuurlijk te maken met de herkomst van het verwerkte kaolien, maar het heeft uiteraard ook te maken met de gebruikte samenstelling, de exacte verhoudingen tussen de verschillende hoofdbestanddelen. Iedere fabrikant heeft zowat zijn eigen formule. Over het algemeen bevat porselein tussen de 45 en de 55% kaolien, tussen de 20 en de 25% kwarts en tussen de 2 en de 25% veldspaat. Over het algemeen geldt, hoe witter hoe duurder.

 

Belangrijk om weten is ook wat “Bone China” precies is. Oorspronkelijk is dit een soort porselein uitgevonden tijdens de experimenten van een Britse fabrikant, met name Josiah Wedgwood. Een naam die we uiteraard allemaal kennen! Bij gebrek aan kaolien voegde Wedgwood beendermeel toe aan de klei met het gekende resultaat voor het porselein dat tot op vandaag zijn naam draagt. Ondertussen werd dit procédé nog verfijnd. Door heel wat fabrikanten overgenomen en toegepast. Dit soort porselein bevat nu over het algemeen tussen de 0 en de 15% kwarts, tussen de 15 en de 25% veldspaat, tussen de 25 en de 30% kaolien en tussen de 40 en 50% dierlijk beendermeel of beenderas. Door het toevoegen van beendermeel kunnen de kristallen in het kwarts zich mooi zetten en lijkt de scherf net glas, zonder enige porositeit. Het porselein is stralend wit, kan heel dun gemaakt worden en is hierdoor ook enorm transparant en heel sterk. Soms heeft men het ook over “New Bone China” en/of “Fine China”. Hier gaat men dan weer meer kwarts gebruiken en minder beendermeel. De glans en de hardheid blijven hierbij behouden, maar het porselein kan hierdoor nog lichter gemaakt worden. En men blijft maar zoeken naar nieuwe technieken en samenstellingen. Denk maar aan het hierboven reeds vermelde nieuwe “Ceragon-porselein” uit China, dat door Billiet naar Europa werd gebracht en waarvan de exacte samenstelling door de leverancier voorlopig nog angstvallig wordt geheimgehouden. Ceragon is harder en duurzamer dan Bone China. Het heeft dezelfde kwaliteit als New Bone China, tegen een lagere prijs.

 

De temperaturen waarop de producten gebakken worden verschillen ook van fabrikant tot fabrikant en van product tot product. Wat het voorbakken betreft, gebeurt dit voor aardewerk en faience op een temperatuur van circa 800-850°C. Bij porselein gebeurt de biscuitbrand op ongeveer 1000°C of zelfs nog hoger. Bij Bone China ligt de temperatuur bij het voorbakken zelfs op circa 1200°C. Hierbij worden de producten op vuurvaste wagentjes gestapeld, die vervolgens gedurende ongeveer 16 uur in een tunneloven verdwijnen.

 

Na de eerste bakbeurt, ook wel het voorbakken of de biscuitbrand genoemd, bekomt men een ongeglazuurd object als resultaat. Wat de afwerking van dit object betreft, kan men nu verschillende kanten uit. Er komt enorm veel wit porselein op de markt. Om dit te bekomen volstaat het om de bekomen voorwerpen van een glazuurlaag te voorzien. Glazuur of email bestaat in feite uit gemalen glas dat in water is opgelost. Het glazuur gaat dus een soort van glazen beschermlaag vormen. Het glazuur wordt er ofwel op gespoten of de voorwerpen worden ondergedompeld in een glazuurbad. Daarna gaan ze opnieuw de oven in voor een tweede bakbeurt of de zogenaamde glazuurbrand. In de meeste gevallen gebeurt de glazuurbrand op een nog hogere temperatuur dan de biscuitbrand. Bij porselein gebeurt dit vanaf 1100°C, maar dit kan oplopen tot zelfs 1400°C. Bij aardewerk vindt de glazuurbrand plaats op zo’n 900-950°C. Om een product ovenbestendig te maken, wordt de rand waarop het in de oven staat niet geglazuurd. Een helemaal matte bodem zorgt voor een meer gelijkmatige verwarming.

 

Afwerking & vaatwasbestendigheid

 

Een belangrijk thema waarover heel wat discussie bestaat en dat hier toch zeker niet mag ontbreken is de vaatwasbestendigheid van het product. In principe is porselein steeds vaatwasbestendig. Het glazuur zorgt voor een uitstekende beschermlaag. Dit wat wit porselein betreft! Wat gedecoreerd porselein betreft moet men wel opletten. De decoratie op het porselein is niet altijd vaatwasbestendig. Er bestaan namelijk verschillende methodes om een decor op porselein aan te brengen. Een eerste mogelijkheid bestaat erin dat men na het voorbakken of de biscuitbrand, direct op het biscuit het decor aanbrengt. Pas daarna worden de voorwerpen geglazuurd en gebakken. Deze techniek noemt men “onderglazuur”. Het decor zit werkelijk onder het glazuur, zit uitstekend beschermd en is bijgevolg ook vaatwasbestendig. Een tweede techniek heet “inglazuur”. Bij deze techniek wordt de decoratie op het glazuur aangebracht. Bij het bakken zakt het decor in het glazuur weg en versmelt het als het ware met het glazuur. Hierdoor wordt deze decoratie dus ook vaatwasbestendig. Door de hogere temperatuur waarop wordt ingebrand, zijn er minder kleuren mogelijk. Een derde en laatste techniek noemt men “opglazuur” of “bovenglazuur”. Het woord zegt het in feite zelf: het decor ligt op of boven het glazuur. De voorwerpen hier worden dus eerst geglazuurd en gebakken en dan pas wordt het decor aangebracht, dat dan bij een lagere temperatuur van 600 tot 800°C wordt ingebrand. Deze decors kan men als het ware voelen. Ze liggen er bovenop. In- en onderglazuur zijn vaatwasbestendig. Het op- of bovenglazuur is dit niet. Wel is het zo dat ook bovenglazuurdecors heel wat kunnen verdragen. Ze kunnen in de vaatwas, maar na x-aantal wasbeurten, afhankelijk ook van de agressiviteit van het gebruikte detergent, zullen de kleuren na verloop van tijd matter en doffer worden. Misschien vraagt u zich ook af waarom deze verschillende technieken worden gebruikt? Welnu, de inglazuurtechniek brengt kleurbeperkingen met zich mee omwille van de hoge temperaturen van de glazuurbrand, die er op volgt. Bij opglazuur kunnen er veel meer kleurvariaties gebruikt worden. Goud- en zilverdecors worden met de opglazuurtechniek aangebracht en zijn bijgevolg niet vaatwasbestendig. Opgelet: voorwerpen met goud- of zilverdecoraties mag men trouwens ook niet in de microgolfoven steken. Metaal en microgolfoven gaan, zoals u vermoedelijk wel weet, niet samen! Als men in de handel dergelijke voorwerpen verkoopt waar dit wel kan, dan is het omdat men het goud of zilver vervangen heeft door een of andere kleurstof met eenzelfde uitstraling.

 

Tot slot waarom gekleurd porselein bijna nooit voorkomt:

Porselein is niet poreus. Het wordt gebakken vanaf 1000°C in een oven met weinig zuurstof. Bij het maken van wit porselein is het een hele kunst om te voorkomen dat het besmet raakt door bv. ijzer, etc. Als je porselein wil kleuren, moet dit compleet gescheiden gebeuren om die besmettingen te voorkomen. Normaal gesproken zullen de gevraagde aantallen in gekleurd porselein nooit de enorme investeringen voor het apart produceren rechtvaardigen. Daarnaast spelen temperatuur en het gebrek aan zuurstof een rol. Door het gebrek aan zuurstof worden de kleuren ‘opgegeten’. Daarom zie je vaak alleen maar kleuren als vanille, crème en ivoor. Die kleuren zijn alleen het resultaat van het gekleurde glazuur dat gebruikt wordt en niet van het gekleurde porselein zelf.